Eerste zin
Telkens als ik de oude loods in liep kriebelde mijn neus. Ik was aanwezig bij de jaarlijkse departementsdag van mijn werk, en we bivakkeerden in een hippe evenementenlocatie op een stukje restruimte tussen spoorbrug, containerterminal en het Amsterdam-Rijnkanaal. Creatieve broedplaats, noemen ze dat dan, dat zoveel wil zeggen als dat in onbruik geraakte, voorheen industriële locaties, toch nog een soort tweede leven krijgen. De praktijk is dat er dagelijks kantoorpersoneel van allerlei pluimage naar zulke locaties gaat, voor heisessies, personeelsuitjes, conferenties, en wat niet al.
Een wonderlijke wereld van loskomen van de dagelijkse realiteit, terwijl je dan alsnog met je collega’s zit, maar wel tijdens de lunch samen kunt pingpongen onder de industriële entourage van de Demka spoorbrug terwijl de rijnaken af en aan varen over het kanaal. Na zo’n lange dag ‘socializen’ zat ik afgedraaid in de trein terug naar huis en raakte ik geboeid door enkele studenten die enthousiast aan elkaar vertelden over een schrijfopdracht die ze gedaan hadden. Na even rondgelopen te hebben moesten ze in één zin een zintuiglijke ervaring opschrijven. En dat was dan de eerste zin van een verhaal dat ze zouden schrijven.
Het mooie van een heidag is dat je collega’s eens van een andere kant leert kennen. Iemand had in een workshop als persoonlijke kernwaarde opgeschreven: ‘ik mag er zijn,’ en vanuit die grondhouding proberen om open en kwetsbaar anderen te benaderen. Ook een mooie eerste zin, die leidde tot een leuk geloofsgesprek, dat eindigde met de reformatie van Hongaarse protestantse christenen in Transsylvanië. En zo is met elkaar het leven delen, en je verwonderen over wie God is, nooit ver weg, zelfs niet als je zit te vergaderen in een hippe oude loods langs het kanaal. Waarom mijn neus nou zo kriebelde, is me echter nog steeds een raadsel.
Patrick





